Schoolgids

5. Leerlingenzorg   

 
 
 
5.1 ALGEMEEN
 
De onder ons bestuur vallende scholen zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband. Het bestuur heeft een zorgmanagementteam ingesteld dat op hoofdlijnen het beleid afstelt. Dit wordt vastgesteld in een zorgplan. Binnen elk deelverband, in ons geval OPO Smallingerland wordt het zorgplan in activiteiten uitgewerkt en elke school kiest aanvullend schoolspecifieke aspecten.
 
Vroeger kregen alle kinderen op de basisschool dezelfde leerstof aangeboden. Kon je niet meekomen, dan bleef je zitten. Was je een snelle leerling, dan had je veel tijd over om een boekje te lezen of te tekenen. Tegenwoordig proberen we tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van ieder kind. Dit doen we allereerst door preventief te werken. Dat wil zeggen: door het kiezen van goede methodes en de juiste aanpak proberen we problemen te voorkomen. Verder houdt dit in, dat binnen een groep alle kinderen de zorg krijgen, waar ze gezien hun ontwikkeling, recht op hebben. Dit noemen we zorgverbreding. Zorgverbreding vindt zoveel mogelijk plaats binnen de groepen. De kinderen van de Tille werken met een takensysteem, waardoor de leerkracht de mogelijkheid krijgt om extra zorg te geven.
  
 
 
  
 
5.2 WELKE VAKGEBIEDEN VALLEN ONDER ZORGVERBREDING
 
De extra zorg voor uw kind kan bestaan uit vrij eenvoudige zaken, zoals zelfstandig leren veters strikken, het extra oefenen van de tafels, het inoefenen van schrijfpatronen of het praten over gedrag bij het spelen op het plein. Deze problemen zijn bijna altijd door de klassenleerkracht op te lossen. De klassenleerkracht staat dan ook centraal in de zorgverbreding van onze school. Soms komen er ook complexere zaken aan de orde, zoals een grote leesachterstand, agressief gedrag, een slechte motorische ontwikkeling, enz. Leerlingen met deze problemen worden door het team besproken tijdens de leerlingenbespreking. De leerkracht kan dan ondersteuning krijgen van het zorgteam.
 
 
 
 
5.3   WIE ZITTEN ER IN HET ZORGTEAM
 
De directeur, zij is eindverantwoordelijk voor alles wat er op de Tille gebeurt. Zij zorgt dat de school zich op het gebied van zorg ontwikkelt volgens de afspraken die in het samenwerkingsverband Weer Samen Naar School (W.S.N.S.) gelden.
 
De intern begeleider (ook wel IB-er genoemd) Dit is een speciaal opgeleide leerkracht, die de algemene coördinatie heeft van alles wat met zorgverbreding te maken heeft. Bovendien ondersteunt hij de collega’s bij het werken in de groepen.
  
 
 
 
 
 
5.4 WANNEER BEGINT DE ZORGVERBREDING
 
Op het moment, dat u uw kind aanmeldt op De Tille, begint ook de zorgverbreding. We hechten er grote waarde aan, dat kinderen en ouders zich thuis voelen op onze school. Bij aanmelding ontvangen nieuwe ouders een intakeformulier waarop alle belangrijke gegevens kunnen worden ingevuld. Wanneer uit de gegevens van dit intakeformulier blijkt dat het nodig is om een nader gesprek te voeren, dan zal de directeur u hiervoor uitnodigen.
 
Het is van groot belang, dat eventuele problemen, die het kind op welk gebied dan ook heeft gehad, op school bekend zijn. We kunnen daar meteen rekening mee houden. Als het gaat om een leerling in groep 1, dan is het mogelijk om maximaal 5 dagen of 5 dagdelen op bezoek te komen voordat er sprake is van de definitieve plaatsing op zijn/haar vierde verjaardag. Nieuwe leerlingen in andere groepen starten in principe na een vakantie of er moet sprake zijn van een verhuizing. Voor de zomervakantie wordt er door de oudste kleuters al vast een kijkje genomen in de nieuwe groep 3.
 
 
5.5   DE STAPPEN IN DE ZORGVERBREDING
 
  1. De leerkracht volgt de kinderen goed in hun ontwikkeling door middel van toetsen en observaties. Dit gebeurt vanaf groep 1. Deze gegevens worden in een dossier bewaard.
     
  2. De leerkracht signaleert een probleem en probeert er zelf een oplossing voor te bedenken. Hij/zij formuleert concrete doelen.
  3. Is het probleem niet oplosbaar, dan bespreekt de leerkracht de leerling in de leerlingenbespreking, waarbij collega’s aanwezig zijn. Ouders worden hiervan op de hoogte gesteld.
     
  4. Er wordt een plan opgesteld, ook wel een handelingsplan genoemd. In het handelingsplan staat precies wat het probleem van het kind is, hoe daaraan gewerkt gaat worden en wie dat gaat doen. Ouders hebben inzage in het handelingsplan van hun kind.
     
  5. Na ± 6 weken wordt het handelingsplan geëvalueerd. Afhankelijk van de uitslag wordt er wel of niet een nieuw handelingsplan geschreven.
  6. Is er na een periode van drie maanden nog geen verbetering opgetreden, dan kan de schoolbegeleidingsdienst geconsulteerd worden voor advies. 
     
  7. Het advies kan zijn om een hulpvraag voor te leggen aan het C.L.Z. (Commissie leerlingen zorg). De school moet daarvoor goedkeuring vragen aan de ouders, die zelf ook een formulier moeten invullen. Het C.L.Z. heeft elke week zitting. Meestal wordt het kind dan nader onderzocht door een onderwijskundig begeleider of een othopedagoog van de schoolbegeleidingsdienst. (CEDIN) of het Speciaal Basisonderwijs (SBO, het vroegere MLK). Dit onderzoek vindt plaats op school, onder schooltijd. De uitslag van het onderzoek wordt eerst op school besproken, samen met de leerkracht en de i.b.er. Daarna wordt het besproken met de ouders.
     
  8. Er wordt een besluit genomen wat er moet gebeuren om het kind verder te helpen. Dit kan zijn:
    -   een advies aan de leerkracht
    -   een advies aan de ouders van het kind
    -   verwijzing naar een andere instantie ( logopedist(e)/ RIAGG/.....)
    -   onderzoek van de schoolarts
    -   hulp van een leerkracht uit het speciaal onderwijs.
    -   hulp van onderwijskundig begeleider van het CEDIN. 
     
  9. In uitzonderlijke gevallen kan het kind doorverwezen worden naar de P.C.L. die beoordeelt of het kind wellicht een plaatsje verdient op een speciale basisschool. 
 
 
 
 
 
 
 
5.6 VOORBEREIDING OP HET VO
 
Een belangrijk punt van de zorgverbreding is het voorbereiden van leerlingen uit groep 8 op het vervolgonderwijs en het geven van een juist advies aan elke leerling. Doordat de leerlingen vanaf groep 1 gevolgd worden heeft de leerkracht van deze groep een goed beeld van de toetsresultaten. In groep 8 worden de kinderen voorbereid op het Voortgezet Onderwijs, o.a. door het maken van huiswerk en het leren omgaan met een agenda. De keuzes voor het Voortgezet Onderwijs gebeurt in verschillende rondes. Allereerst is er een informatieavond voor de ouders, waarop in het algemeen de mogelijkheden voor vervolgonderwijs worden aangegeven. Daarna volgen er een aantal gesprekken tussen leerkracht, ouders en hun kind. Zijn die het met elkaar eens, dan zijn twee gesprekken vaak voldoende. Lopen de meningen uiteen, dan zijn er meerdere gesprekken nodig. We laten de leerlingen meedoen aan de Cito-eindtoets. Hierdoor wordt de advisering nog meer onderbouwd.
 
Bij het laatste gesprek, dat plaats vindt voor 1 april, is ook de leerling aanwezig. Dan wordt gezamenlijk het advies van de school besproken. In uitzonderlijke gevallen, wanneer ouders het niet eens zijn met het advies van de school, kan het kind een toelatingsexamen doen. Alle nieuwe leerlingen worden van te voren doorgesproken met de brugklasmentor. In datzelfde gesprek worden ook de resultaten van de voormalige groep 8 bekeken. Als de leerling eenmaal geplaatst is op het voortgezet onderwijs, dan krijgen wij gedurende het eerste jaar de rapportcijfers opgestuurd, zodat we kunnen zien, hoe het met onze leerlingen gaat. Ook leerlingen onderhouden vaak het contact met hun basisschool, door hun rapport te laten zien.
 
 
 
 
 
5.7 HOE WORDEN DE GEGEVENS VAN DE KINDEREN BEWAARD
 
Elke leerling op onze school heeft een eigen dossier, dat bewaard wordt in een afgesloten kast. Daarin zitten allerlei gegevens, zoals uitslagen van toetsen, verslagen van gesprekken, handelingsplannen en evaluaties. Het dossier wordt bijgehouden door de intern begeleider, die daarvoor de gegevens krijgt van de leerkracht. Omdat het hier om vertrouwelijke informatie gaat, hebben alleen de betreffende leerkracht en de leerkrachten vanuit het zorgteam de mogelijkheid om het dossier te bekijken. Ook ouders hebben recht op inzage in het dossier van hun kind. Als een kind van school verandert, kan het dossier (geheel of gedeeltelijk) naar de nieuwe school worden doorgestuurd. Dit gebeurt alleen nadat de ouders daarvoor toestemming hebben gegeven. De gegevens worden tot 5 jaar na het verlaten van de school bewaard.
 
 
 
   
 
 
5.8 ZORGLEERLINGEN MET SPECIFIEK ONDERWIJSBEHOEFTEN
 
(artikel 13-1c van de Wet Primair Onderwijs (WPO). Van alle kinderen op school wordt gedurende hun hele schoolloopbaan nauwkeurig bijgehouden in het leerlingvolgsysteem hoe hun ontwikkeling op school verloopt. Deze dossiervorming geschiedt uiterst zorgvuldig. De regels van de privacywetgeving zijn hierop van toepassing. Ouders worden door de leerkrachten frequent geïnformeerd over het wel en wee van hun kind(eren) op school.
 
Indien er opvallende ontwikkelingen zijn bij een kind (bijvoorbeeld in het gedrag, de motoriek of de leerprestaties), dan wordt hier in het algemeen gesproken op de volgende wijze mee omgegaan:
De bespreking tijdens de teamvergadering is de eerste invals­hoek. Bespreking van probleemkinderen gebeurt niet wekelijks, maar wel regelmatig. Als zich tussentijds problemen met kinderen voordoen, wordt zo spoedig mogelijk een extra leerlingbe­spre­king inge­last. Dit overleg is er op gericht om een specifieke aanpak voor het betreffende kind te bewerkstelligen. De ouders worden hierover geïnformeerd. In de meeste gevallen wordt vervolgens besloten met behulp van een hande­lingsplan, het betreffende kind door de groepsleer­kracht aangepast onderwijs te geven. De ouders worden betrokken bij de doelstellingen van het handelingsplan. Van een gesprek hierover wordt een verslag opgesteld. Dit verslag, alsmede de verslagen die later kunnen volgen, wordt door de ouders getekend. Hierdoor kan geen misverstand ontstaan over de aanpak die is gekozen.
 
Mocht het overleg binnen het team, waarbij de intern begeleider (IB-er) een grote rol speelt, niet voldoende aankno­pingspun­ten opleveren om het kind op gerichte wijze te kunnen begeleiden, dan wordt de hulp ingeroepen van externe deskundigen. Deze deskundigheid kan ingebracht worden door de leerlingbe­geleider van de onderwijsbegelei­dingsdienst (GCO) of vanuit het Samenwerkings­verband WSNS door teamleden van scholen voor speciaal basisonderwijs. Zij hebben wat dat betreft een grote ervaring.
De deskundigen uit het samenwerkingsverband WSNS en CEDIN kunnen zowel de leer­prestaties, de leerproces­sen als de emotionele en sociale kenmerken van het betreffende kind gaan onderzoe­ken. Soms wordt aan andere instanties (GGZ, GG&GD etc.) meer specialistisch onder­zoek of begeleiding gevraagd.
Voordat wij echter met deze instanties in zee gaan, wordt u als ouder hiervan door de groeps­leer­kracht op de hoogte ge­steld en gevraagd  uw goedkeu­ring daar aan te hechten, anders kan het onderzoek niet doorgaan.
 
Is het probleem van uw kind voor ons niet behandelbaar, dan wordt via de leerlingbegeleider van het CEDIN de zorg een niveau hoger getild, namelijk naar het bovenschoolse niveau van het zorgteam van het samenwerkingsverband WSNS. In het zorgteam is de deskundigheid van de basisschool, CEDIN en de speciale school voor basisonderwijs gebundeld.
 
Schoolbegeleiders, orthopedagogen, psychologen, ambulant begeleiders, maatschappelijk werkers en een jeugdarts werken daarin nauw samen aan de zorg voor kinderen met problemen op verschil­lende gebieden.
De aanmelding bij het zorgteam geschiedt in overleg met de ouders. Indien het zorgteam besluit bepaalde activiteiten, gericht op die zorg, uit te voeren, wordt u daar door ons over geïnformeerd.
 
In enkele gevallen, wanneer alle mogelijkheden om zorg te bieden zijn uitgeput, kan er uiteindelijk een advies tot plaatsing op een school voor speciaal basisonder­wijs worden gegeven. In dat laat­ste geval moeten de verschillende verslagen, die over uw kind zijn opgemaakt worden gebundeld in een onderwijskundig rapport. Een afschrift van dit rapport wordt door de school aan de ouders verstrekt. Vervolgens wordt de aanvraag ter beoordeling voorgelegd aan een externe commissie. Deze aanvraag kan alleen met schriftelijke toestemming van de ouders geschieden. Deze commissie, de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL), bestudeert het rapport en geeft een beschikking af voor toelaatbaarheid of weigert deze. Alleen met een positieve beschikking kan een kind geplaatst worden in het SBO. De aanmelding op het SBO dient door de ouders te geschieden. Desgewenst kan de school u daarbij behulpzaam zijn.
  
 
 
 

5.9 WET OP DE EXPERTISECENTRA  

Leerlingen-gebonden financiering voor leerlingen met een handicap
De bevordering van de emancipatie en integratie van mensen met een handicap vormt een belangrijke doelstelling in het beleid van de Rijksoverheid. Ook in het onderwijs is er behoefte aan emancipatie en integratie van gehandicapte kinderen. Van oudsher is het onderwijs aan gehandicapte kinderen georganiseerd in speciale scholen. Steeds meer ouders wensen echter dat hun gehandicapte kind zoveel mogelijk in een normale omgeving opgroeit en in het verlengde daarvan ook in de thuisomgeving naar een gewone school voor basisonderwijs kan gaan. Om dit mogelijk te maken heeft de overheid een speciale regeling ontworpen, de “ leerlinggebonden financiering” (de rugzak). In deze rugzak zitten middelen (in de vorm van tijd en geld) waarmee het mogelijk wordt dat de leerling onderwijs kan volgen op een gewone basisschool”.
 
In de missie van onze school staat dat we ruimte en aandacht willen bieden voor ieder kind. Dat houdt ook in dat we in principe bereid zijn om kinderen met een handicap op te nemen in onze school. Het streven naar integratie van kinderen met een handicap in de maatschappij willen we hiermee onderschrijven en ook binnen onze school voor zover mogelijk gestalte geven. Integratie heeft een duidelijke eigen waarde voor het kind met een handicap, maar heeft ook een vormende waarde voor de overige kinderen”.
 
 
Wat kunnen we?
“In ons streven naar adaptief onderwijs willen we zoveel mogelijk zorg op maat bieden. Onze zorg wordt gekenmerkt door hulpverlening en preventie: dat betekent tijdige signalering van problemen door de leerkracht, gevolgd door een adequate reactie in de vorm van extra zorg, zowel in de klas als daarbuiten. Voor een kind met een handicap willen we een onderwijsaanbod ontwikkelen dat aansluit op de mogelijkheden van deze leerlingen. Dit onderwijsaanbod kan gestalte krijgen in de groep, maar ook daarbuiten, in de vorm van ambulante begeleiding vanuit het samenwerkingsverband en vanuit het Regionale Expertisecentrum. Wij gaan er vanuit dat de ouders van de betreffende leerling ook een bijdrage leveren vanuit de kennis die ze van hun kind hebben”.
 
 
 
Waar onze grenzen liggen
  1. Verstoring van rust en veiligheid:
    Indien een leerling een handicap heeft die ernstige gedragsproblemen met zich mee-brengt ,leidend tot een ernstige verstoring van de rust en de veiligheid in de groep, dan is voor ons de grens bereikt waardoor het niet meer mogelijk is om kwalitatief goed onderwijs aan de gehele groep en aan het betreffende kind met een handicap te bieden.
     
     
  2. Wederzijdse beïnvloeding van verzorging/behandeling – onderwijs:
    Indien een leerling een handicap heeft die een zodanige verzorging / behandeling vraagt dat daardoor zowel de zorg en behandeling voor de betreffende leerling als het onderwijs aan de betreffende leerling onvoldoende tot zijn recht kan komen, dan is voor ons de grens bereikt waarbij het niet meer mogelijk is om kwalitatief goed onderwijs aan het betreffende kind met een handicap te bieden.
     
  3. Verstoring van het leerproces voor de andere kinderen:
    Indien het onderwijs aan de leerling met een handicap een zodanig beslag legt op de tijd en de aandacht van de leerkracht dat daardoor de tijd en aandacht voor de overige zorgleerlingen in de groep onvoldoende of in het geheel niet kan worden geboden, dan is voor ons de grens bereikt waarbij het niet meer mogelijk is om kwalitatief goed onderwijs te bieden aan de zorgleerlingen in de groep.
 
De procedure:
Indien er op onze school een kind met een handicap wordt aangemeld dan volgen wij een draaiboek met een aantal fasen. Deze fasen zijn:
  1. probleemsignalering: welke problemen zijn er indien wij deze leerling met een handicap toelaten?
  2. verkenning van de mogelijkheden
  3. aanmelden voor indicatiestelling
  4. de indicatiestelling;
  5. de indicatiebeschikking;
  6. keuze van de ouders voor de basisschool of REC;
  7. toelating van de leerling;
  8. opstellen handelingsplan
  9. realiseren van eventuele aanpassingen in gebouw of lokaal; aanschaf van specifieke materialen en methoden;
  10. realisatie en monitoring handelingsplan 

 

 

 
5.10  LOGOPEDIST
 
Wanneer uw kind een achterstand heeft in de taalontwikkeling of wanneer het andere problemen heeft op taalgebied, kan het soms nodig zijn dat de logopedist een onderzoekje doet. Als dan blijkt dat verdere hulp noodzakelijk is kan het kind naar de gevestigde logopedist.

De logopediste komt één keer per jaar op school om alle oudste kleuters te screenen. Hierbij wordt gekeken hoe het kind op gebied van stem, spraak, taal en gehoor functioneert. Dit onderzoek duurt ongeveer tien minuten per leerling. Naar aanleiding van dit onderzoek krijgt elk kind een berichtje mee.